Samaria-kloof

Er is geen Kretenzische reisorganisatie die de tocht door de Samaría-kloof niet in zijn programma heeft. Vanuit alle grotere toeristenplaatsen vertrekken bussen voor deze tocht van een dag. Zo ploeteren op sommige dagen meer dan 2000 mensen over het stenige wandelpad richting zee. Om het maar meteen duidelijk te stellen: afhankelijk van conditie en tempo is de wandeltijd vijf tot acht uur en daar komen de bus- en boottocht nog bij. Geen wandelingetje voor een namiddag dus.

Uithoudingsvermogen, wat proviand en goede schoenen zijn onontbeerlijk; water meenemen is niet nodig, omdat de talloze bronnen met goed drinkwater onderweg voor de nodige verfrissing zorgen.
Wie zich houdt aan deze voorwaarden, staat een onvergetelijke belevenis te wachten in één van de boeiendste kloven van Europa met een woest, gekloofd landschap en een afwisselende vegetatie.

U heeft de keuze uit drie varianten als u deze kloof wilt bedwingen. De eenvoudigste: u boekt één van de vele aangeboden tochten. Een bus brengt u dan naar het vertrekpunt van de wandeltocht: Xilóskalo op de Omalós-hoogvlakte. Na de wandeling, die u tot Agía Rouméli bij het water brengt, wordt u per boot naar Chóra Sfakíon gebracht, waar de bus voor de terugreis dan alweer klaarstaat. U kunt deze dagtocht ook op eigen houtje ondernemen.

Tegen 6 uur 's morgens rijden de eerste bussen van de lijndienst van Chaniá naar Xilóskalo, en ook vanuit Chóra Sfakíon kunt u met het openbaar vervoer naar Chaniá terugkeren. Een precieze planning en een vroegtijdige start van deze tocht zijn echter heel belangrijk, opdat u de laatste boot, respectievelijk bus naar Chaniá niet zou missen.

Wie wat afstand wilt houden van de grote toeristenstroom wordt aangeraden te overnachten in het Xenía-hotel vlakbij de ingang van de kloof (reserveren is raadzaam). Op die manier kunt u al met zonsopgang vertrekken. Vanuit deze standplaats kunt u ook nog andere dagtochten in de bergen maken. Hier, op 1200 meter boven de zeespiegel gelegen, ligt het vertrekpunt van de wandeling door de Samaría-kloof. De streek kreeg zijn naam naar een houten trap, die hier in vroeger tijden lag.

In het begin gaat het een paar maal zeer steil bergafwaarts, oude cipressen en dennen begeleiden de tocht. Al na een uur bereikt u de eerste, door platanen omringde bron met de naam Neroutsiko ('watertje'). Na nog eens een kilometer en nadat u een aantal malen de bedding van de beek bent overgestoken, komt dan de volgende bron, de Risa tis Sikias. Het is dan nog één kilometer naar de kapel Ágios Nikólaos, waar imposante, oeroude cipressen met metersdikke stammen te bewonderen zijn.

Na de volgende, in steen gehouwen bron met de naam Vrissi, te vinden op een hoogte van 500 meter boven de zeespiegel en op vierenhalve kilometer vanaf het vertrekpunt, verdwijnt de beek af en toe in de poreuze ondergrond. Na nog eens drie kilometer bereikt u het in 1962 verlaten dorp Samaría, waarin het bureau van het bosbeheer een dependance heeft. Het eerst oude gebouw wordt gerestaureerd. Voor noodgevallen staan hier muilezels en er is zelfs een helikopterlandingsplaats. Banken en tafels onder de moerbei- en vijgenbomen, maar ook fris water uit twee bronnen zorgen voor een uitstekende rustplaats. U heeft nu bijna de helft van de wandeling afgelegd.

Voorbij de vervallen huisjes van Káto Chorió ligt links tegen de berg het door cipressen omringde kapelletje Ossia Maria, dat door naamswijziging in de loop der eeuwen de kloof zijn huidige naam gaf. Langs cipressen, dennen en olijfbomen, die verwijzen naar het vroegere gebruik als landbouwgebied, komt u bij de bron Vrissi tis perdikas ('Duivenbron'). Hier vindt u opnieuw een mogelijkheid om u even te verfrissen. In het voorjaar vindt u op dit deel van de tocht vele orchideeën.

Drie kilometer scheidt u van de volgende bron, de Kephalovrissi, aangekondigd door vele waterminnende platanen. Onderweg wordt de kloof steeds smaller, de smalle plekken worden portes (poorten) genoemd. De porta genoemde doorgang vormt de smalste plek van de Samaría-kloof: de rotswanden liggen hier nog slechts drie meter uit elkaar. Dennen en steeneiken groeien in de spleten van de enkele honderden meters omhoogrijzende rotswanden. Vooral in de natte dagen in het voorjaar is het moeilijk om deze plek met droge voeten te doorwaden.

De kloof wordt nu weer breder en een aantal malen kruist het pad de bedding van de beek totdat u Spiliá bereikt, waar de eerste verfrissingen de vermoeide wandelaar wachten. Na de dorpen Meso Gitonia en Káto Gitonia lokt dan eindelijk de brede baai van Agía Rouméli met het donkere zandstrand en de verkoelende golven. Er is volop de mogelijkheid een versterking te genieten voordat u per boot verdergaat naar Chória Sfakíon, want taveernes zijn er genoeg.

Openingstijden:
De kloof is van begin mei tot eind oktober geopend (naar gelang van de waterstand); na 15.00 is betreden verboden. In het voorjaar kunt u hier de meeste bloeiende planten zien.

Duur:
Dagtocht van meestal meer dan 12 uur. De wandeltijd bedraagt, afhankelijk van de conditie, tussen de 5 en 8 uur, de afstand is 17 kilometer.

Uitrusting:
Schoenen met niet te dunne zolen, wat proviand (onderweg niet te krijgen) en bescherming tegen de zon. Water hoeft niet te worden meegenomen. Proviand kan aan de ingang gekocht worden.
Resultaten  van 
Loading...
Bezig met zoeken...
 

Zoek een vakantie:

Filter aanbod