Ceyx, zoon van de avondster, en Alcyone, dochter van de god van de wind, waren zo erg verliefd op elkaar dat het een zware last voor hen werd. Daarom wilde Ceyx er even tussenuit. Hij zei tot Alcyone: 'Ik ben ongerust over het lot van mijn broeder, hij is erg ziek, ik moet naar het orakel van Apollo gaan om raad te vragen. Ik ga naar Klaros (Apollo heeft niet alleen in Delphi, maar ook op vele andere plaatsen orakels) want op de weg naar Delphi wemelt het van de roversbenden'.
Omdat Klaros over zee lag, moest Ceyx per schip reizen.
Zijn vrouw protesteerde, maar Ceyx zweerde dat wanneer een genadig lot hem de thuisvaart gunde, hij terug zou komen voordat het tweemaal nieuwe maan geweest zou zijn. Omdat zijn besluit vast stond, kon ze niets anders doen dan toestemmen. Ceyx leek het geluk aan zijn zijde te hebben. Hij had reeds de helft van de reis met een gunstige wind afgelegd. Maar tegen het vallen van de avond zette vanuit het zuiden een gevaarlijke wind op, een storm was losgebroken. De storm werd al snel een orkaan.
De stuurman had alle controle over het schip verloren en iedereen probeerde zichzelf te redden. Het water drong het ruim binnen. Met vertwijfeling zagen de zeelui de dood in hun ogen. Toen brak de mast en het roer werd weggerukt, de golven klommen hoog op en stortten zich van boven op het broze schip, de schepelingen werden mee in de diepte gesleurd. Ook Ceyx wist uiteindelijk niet te ontkomen aan de draaikolk. Zijn gedachten waren bij Alcyone en zijn laatste zucht was 'Alcyone'. Zijn vader, de avondster, was reddeloos, omdat hij hem niet van de verdrinkingsdood had kunnen redden.
Ondertussen telde Alcyone de dagen die nog resten tot het de tweede maal nieuwe maan was geweest. Ze bereidde een groots feest voor om hem bij zijn terugkomst te verwelkomen. Elke dag bad ze tot Hera voor zijn gezondheid. Om de onzekerheid van zich af nemen, beval ze Iris (godin van de regenboog en bode van de godin Hera) om zich te spoeden naar de berggrot van Hyphnos, de god van de slaap. Iris vrieg Hyphnos een droom in de gedaante van de dode Ceyx voor haar te laten verschijnen, en haar zo in een droombeeld het ongeluk op zee te laten aanschouwen. De god van de slaap riep Morpheus, één van zijn 1000 kinderen. Morpheus nam de gedaante aan van Ceyx en hij toonde zich aan Alcyone in haar droom.
Hij zei tot Alcyone: 'Ik ben niet Ceyx, ik ben slechts zijn schim. Geliefde, ik vertoef niet meer onder de levenden. Ik ben zelf gekomen om u mijn dood in de woeste storm op zee bekend te maken'. Ontzet rees Alcyone op uit haar slaap en smeekte om met haar echtgenoot te mogen mee gaan. De volgende dag ging ze vol verdriet naar de plek waar ze hem bij zijn vertrek had uitgezwaaid. Plots zag ze op de golven iets wat op een menselijk lichaam leek. Het lijk spoelde aan en het bleek Ceyx te zijn. Ze sprong op en al vliegend kwam ze naar hem toe. Toen ze zich neer liet komen op de borst van haar geliefde echtgenoot, veranderde Alcyone in een ijsvogel.
Het diertje vlijde zich met de prachtige bonte veren tegen de borst van de dode. Omdat de goden erg ontroerd waren door dit tafereel, veranderden ze ook Ceyxin een ijsvogel. De vogels paarden en jaarlijks zit Alcyone broedend in haar nest. Deze 7 broeddagen worden door geen slecht weer gestoord, want haar vader Aeolos zelf laat zijn winden tijdens deze broedtijd niet uit, om zijn kleinkinderen te beschermen en hen rust te geven.